Ama Dablam
De Matterhorn van de Himalaya, gelegen in Oost-Nepal meer >
 
 
 
 
 
 
 
Yde de Jong

Bedankt voor dit prachtige verslag! Geen top (helaas), maar wel een geweldige prestatie van een prima team. Geniet (ook een beetje) van de terugreis.

Petra

Helemaal geweldig , jullie hebben het gehaald.
PROFICIAT!

Groetjes van de kapper!

Petra Adelaars

jos

Omdat ik verschillende keren heb geklommen in Nepal en helemaal verliefd ben op het land en zijn bevolking heb ik genoten van jullie reisverhalen en video's.
Een pracht website!!!
Ik zou jullie leeftijd nog willen hebben dan ging ik weer. Bedankt en verder veel succes.
Jos

Margot Riedstra

Ik sluit me van harte bij Charlotte aan. Ik heb de afgelopen weken zo genoten van mijn digitale uitstapjes naar Nepal dat ik ondanks dat jullie nu bijna allemaal weer onder het Algemeen Nederlands Peil opereren ik die hoger sferen graag nog even zal blijven (be)zoeken.

Charlotte

Hallo Gerard,

Wat goed van je dat je dit nog doet... ik blijf beniewd.

Touwtechnieken
04-09 / 18:35

2.jpgBij het beklimmen van de Ama Dablam maken we gebruik van verschillende touwtechnieken. Grote delen van de graat zullen we expeditiestijl beklimmen. D.w.z. dat we moeten voorklimmen en naklimmen zoals we bij elke ‘normale’ beklimming ook doen. Maar, tegelijkertijd moeten we ook vaste touwen aanleggen. Langs deze vaste touwen kunnen we snel en veilig de kampen bevoorraden en is ook een snelle en veilige terugweg gegarandeerd. Hieronder informatie over de aanleg van vaste touwen en het jumaren.


Vaste touwen
Vaste touwen, of statics, bestaan uit touwen met een doorsneden tussen 8 en 11 mm. Deze touwen zijn, in tegenstelling tot de klimtouwen, niet elastisch. Althans, dat zou de bedoeling zijn. In de praktijk blijken de statics een stuk minder statisch te zijn dan je zou willen. Dit heeft grote gevolgen voor de aanleg van een goed vast touw. Na 20 meter zit er voldoende rek in een static touw dat dit bij belasting over een scherpe rand heel snel kapot kan scheuren. Om gewicht te sparen werken we met 8 mm statics. Daarin zit relatief veel rek en daarom moeten we het touw heel nauwkeurig aanleggen.


Waarom en waar we vaste touwen gebruiken


Expeditieklimmen in expeditiestijl in moeilijke routes

Statics leggen we aan in lange en technisch lastige routes waar we meerdere dagen voor nodig hebben. Door het aanleggen van een static kunnen we na een dag klimmen heel snel naar het uitgangspunt, het laatste kamp, terugkomen. De volgende dag zijn we dankzij het static weer snel en veilig bij het hoogste punt van de vorige dag, zonder dat we alle touwlengten weer moeten voorklimmen. Iedere klimmer kan zich langs het vaste touw zelfstandig op en neer bewegen zonder dat hij door een andere klimmer gezekerd moet worden. Dit gaat sneller en is krachtbesparender dan elke dag met volle bepakking verder te klimmen tot het volgende bivak (het zgn. expeditieklimmen in alpine stijl).


Expeditieklimmen in expeditiestijl in eenvoudige maar lange routes
Daarnaast leggen we bij technisch eenvoudige routes alleen op gevaarlijke en/of steile stukken een stuk vast touw aan. Zo kan iedere klimmer zelfstandig en zonder touw klimmen en is hij op de gevaarlijke stukken gezekerd aan het vaste touw. Dit korte stuk fixrope kan, qua aanleg en gebruik, vergeleken worden met de touwbrug die we in de Alpen ook gebruiken, met het verschil dat we tijdens expedities statics gebruiken en in de Alpen het klimtouw dat we bij ons hebben. Bovendien moeten we aan het vaste touw kunnen abseilen.


Op de Ama Dablam zullen we een combinatie van beide technieken toepassen.


De aanleg van een static in de rotsen
Als bovenste vaste punt voor een static hebben we een goed relais nodig. Dit kunnen haken, friends, nuts, ijsschroeven, Abalakovs of snowstakes zijn. Uiteraard moet dit punt (zoals elk relais) bomvast zijn. Als de wand onder het relais helemaal zou overhangen, kunnen we het hele touw (tot maximaal 200 meter) in één keer naar beneden laten lopen. Langs dit touw kunnen we abseilen en jumaren. In de praktijk loopt het touw op vele plekken over de rotsen heen. Soms zijn dit scherpe randen, soms zijn dit vlakke maar ruwe platen. Na 20 meter zit er al zo veel rek in de statische touwen dat door het abseilen en het jumaren het touw zwaar beschadigd kan worden of zelfs scheuren. Daarom hangen we het static 'onderweg' ook in andere vaste punten.




Figuur 1

Dat gaat als volgt:
1. We maken een aantal vaste punten en maken het touw daaraan vast
2. Dit doen we met een (schroef-)karabiner en een goed aangetrokken hele mastworp
3. We trekken het touw niet helemaal strak, maar laten ca. 20 cm. 'slack' over
4. Dit doen we net zo lang tot het touw op is. Aan het einde leggen we een dikke (acht-)knoop, zie figuur 1

NB
  • Natuurlijk kunnen we aan de vaste punten onderweg het touw met iedere knoop vastmaken, maar het grote voordeel van de mastworp is dat het touw snel te verlengen of verkorten is
  • De 20 cm extra touw is nodig om ab te kunnen seilen. Als we dit stuk langer zouden maken, wordt het jumaren lastiger omdat we elke keer met een lang stuk los touw onder ons zitten, waardoor de jumars niet doorschuiven
  • De knoop aan het einde van het touw is om te voorkomen dat we bij het abseilen van het touw af kunnen schieten



De afstand tussen de vaste punten hangt, zoals gezegd, af van het terrein en het touw. Hebben we veel scherpe randen onderweg, zullen we veel vaste punten moeten maken om te voorkomen dat het touw scheurt. Als vuistregel kun je aanhouden: Dikte van het touw in millimeters maal 3 = afstand tussen vaste punten in meters. Dit is niet meer dan een vuistregel en dient aan het terrein aangepast te worden.

Dikte (in mm) Maal Afstand (in m)
8324
9327
10 3 30
11333

Figuur 2

Het spreekt voor zich dat het nadeel van veel vaste punten onderweg is, dat je, zowel bij het abseilen als het jumaren, jezelf elke keer bij een vast punt 'om moet hangen'.

Abseilen langs een static
Abseilen is abseilen. Het enige bijzondere aan het abseilen langs een static is de dikte van het touw. Bij het 'normale' abseilen hebben we een touw dubbel. Dit is dan dubbel 8 tot 11 mm dik en de meeste abseilapparaten zijn hiervoor geschikt. Bij vaste touwen maken we gebruik van enkele strengen tussen 8 en 11 mm. Met name bij de 8 mm touwen betekent dit dat er vrij weinig wrijving optreedt op het abseilapparaat. Dit houdt in dat we met extra veel kracht moeten. Remhandschoenen zijn daarom aan te raden. Bovendien raad ik iedereen aan om bij het abseilen met een achtje aan een enkel touw (8-9 mm) het achtje om te draaien. D.w.z. de schroefkarabiner komt door het grote oog en het touw komt door het kleine oog. Dit geeft zo veel wrijving dat je weer gewoon ab kunt seilen. Zie figuur 2.


Langs het static omhoog
Voor het jumaren langs het static omhoog hebben we één of twee jumars nodig.

We onderscheiden twee typen jumars:

Kleine jumar, zonder handgreep Grote jumar, met handgreep


De jumartechniek die we nodig hebben hangt af van het terrein. We onderscheiden:
  • Eenvoudig terrein
  • Lastig en steil terrein


Jumaren in eenvoudig terrein
In eenvoudig terrein kunnen we meestal volstaan met één grote jumar. Denk daarbij aan steile sneeuwvelden, niet-loodrechte korte ijspassages en eenvoudige rotsen tijdens het expeditieklimmen. De jumar is er in de eerste plaats als zelfzekering en pas in de tweede plaats als stijgklem.

Figuur 5


Daarvoor hangen we in de grote jumar een bandslinge (ca. armlengte) en bevestigen deze met een schroefkarabiner aan onze gordel. We schuiven de jumar voor ons uit en hebben aan de handgreep een extra steuntje (greep). Als we vallen, blijven we aan de jumar met de bandslinge hangen. Komen we in een korte lastige passage, dan kunnen we in een tweede, lange, bandslinge aan de jumar gaan staan, zie figuur 5.


Figuur 6

Jumaren in lastig en steil terrein
Als het terrein lastig en steil is zullen we moeten prusiken, alleen dan met jumars. Hiervoor hebben we een grote en een kleine jumar nodig. Het terrein is wel zo dat we op kleine richeltjes kunnen staan of met de stijgijzers goed grip in het ijs vinden. We kunnen dus a.h.w. omhoogklimmen en de jumars zijn er voor de veiligheid en de extra steun.

We maken de kleine jumar aan onze heupgordel vast. Dit wordt onze zelfzekering. Om de jumar goed langs het touw te kunnen laten glijden hebben we een borstgordel nodig waaraan we de jumar ook bevestigen. Zie figuur 6. Daarboven hangen we een grote jumar in het touw met daaraan een lange bandslinge. Meestal klimmen we gewoon over de rotsen of het ijs omhoog (klimmen is i.h.a. minder vermoeiend dan jumaren). De kleine jumar schuift gewoon mee omhoog en voorkomt dat we naar beneden kunnen vallen. De grote jumar houden we met één hand vast en dient als greep. Als het even heel steil of glad wordt, kunnen we in de lange bandslinge gaan staan en verder komen. Door ons uit te strekken komt de kleine jumar omhoog. Als we daarin gaan hangen (en dus de grote jumar ontlasten) kan de grote jumar weer verder geschoven worden.

Bericht geplaatst door Robert